Jaloezie, afgunst en leedvermaak – niet zulke fijne emoties. Wel doen ze het goed in verhalen. Op de oproep van Bureau Twirrewyn om over deze emoties te schrijven, ontvingen we leuke verhalen in onze mailbox. Hieronder lezen jullie de leukste twee.

Leedvermaak (Jantsje Hoogsteen)
In de zeventiger jaren liep tante G. op zondagmiddag naar de kerk. Ze werd ingehaald door M.,  een geloofsgenote die ook onderweg was naar de kerk.
‘Zeg G, hoe is het met je broer in Canada?’, vroeg M.
‘Wel goed’ zegt tante.
‘Ik heb andere dingen gehoord’, zegt M.
Ze zegt vreselijke dingen over mijn oom en zijn gezin. Tante is helemaal van de kaart.

Er is nooit weer door G. en M. over gesproken maar het bleef tante dwars zitten.

Enige jaren later. Op de rijweg voor ons huis valt M. met de fiets. Haar pols doet pijn. Haar pols blijkt later gebroken te zijn.Tante komt bij ons langs en ik vertel haar over het ongeval van M.
‘Wat sneu’, zegt ze en schiet onbedaarlijk in de lach. Ze kan niet stoppen.
Leedvermaak na zoveel jaren. Het voelt voor haar als gerechtigheid.

Hol hart  (auteur: Jolie Doorduin)
Ik veeg met de bovenkant van mijn bekleide hand een sliert haar uit mijn gezicht. De lus van het schort kriebelt in mijn nek. Kan hier geen raam open? Dat blonde breekbare typetje aan de tafel verderop klaagt wekelijks over de kou. Ruben komt zelfs eerder om de verwarming op tijd voor haar aan te zetten. En dat ik hier zit te smelten doet er zeker niet toe? Pets! Pats! Ik pak het latje en pers de stijve massa alle kanten op om de lucht eruit te krijgen. ‘Het materiaal weerspiegelt de gemoedstoestand van de keramist’. Was dat niet de zin die me over de streep trok om deze opleiding te gaan doen? ‘De deugd van het creëren’? Flats!

Met mijn vlakke hand mep ik op de okergele klei. Een grove korrel, speciaal voor mijn eindwerkstuk. Pets! Pets! Pets! Eén worden met de substantie. Voelen wat het met je doet. Ik voel vooral het wondje aan mijn duim. Van de spijker waar ik gisteravond aan bleef haken toen ik mijn jas van zijn kapstok griste. ‘Klei is dankbaar materiaal’, staat er op de website van de academie. ‘Een boeiende interactie tussen de natuurelementen’. Boeiend was de interactie zeker. Tot gisteravond in elk geval. 

Al die jaren, al die zaterdagen dat ik al om zes uur in de auto zat. En nu de eindstreep in zicht is zakt alles in. Zoals de eerste vaas die ik op mijn draaischijf had en die alle kanten op flubberde. Te dunne wanden, ongelijkmatig verdeelde klei en het onverbiddelijke ineen zijgen toen de vaart eruit was. Het ondankbare materiaal wilde kennelijk terug naar de staat waarin ik was begonnen; een homp onkantige klei, niet meer en niet minder. ‘Klei kan vlot gemanipuleerd worden tot de meest diverse vormen’. Dat zal wel zo zijn, maar als je het naar je hand wilt zetten, het ‘je eigen’ wilt maken, dan kost dat bloed, zweet en ik voel de tranen nu ook opkomen. Wilde hij zich mij ‘eigen maken’? Of was het alleen maar manipulatie? Waar blijft de voldoening die ze me vier jaar geleden hebben beloofd? Of eindigt het nu, vlak voor de finish? Ik heb het gevoel dat ik niet verder kom dan het biscuit bakken, de eerste bakronde, waarna je nog lang niet klaar bent. Ondanks al het oefenen van het afgelopen semester en het mengen van de mooiste glazuren, heeft dat hele keramiekcircus alle glans verloren. Alsof ik een volgeling was van een keramiekgoeroe en de betovering is verbroken.

Ik heb de klei zo hard mishandeld dat ik het nauwelijks van het plankje kan schrapen. Ik pak een vochtige lap om mijn handen te kuisen, zoals ze dat hier zeggen. Dan zoek ik in mijn tas naar de schetsen. De lamp die ik wilde maken, in de vorm van een masker, doet nu potsierlijk aan. Al die geforceerde symboliek. Moet ik niet alles in elkaar frommelen en een sprong terug in de tijd maken? Een sprong naar de tijd dat ik nog niet van hem hield?

De eerste keer dat ik hier binnenstapte viel mijn oog meteen op het reusachtige, dieprode werk in het midden van het lokaal. Ik liep er omheen en stak mijn hand uit om het patroon in het gebarsten glazuur te volgen. ‘Ho, ho, ho, niet aankomen!’ Van schrik stapte ik achteruit en bracht een stapel plankjes aan het wankelen. Ruben lachte en hield de wankele toren met zijn grote hand in balans. Ik draaide me naar hem toe. Hij was even groot of zelfs iets kleiner. Zijn warrige grijze haar, gedrongen postuur en slobberige trui, de ongedwongen manier waarop hij daar stond. De blik in zijn grijze ogen, achter het brede montuur van zijn vierkante bril, was spottend, onderzoekend. Ik stak mijn hand uit om me voor te stellen en voelde hoe stevig en ruw de zijne was. Mijn hart bonkte als een razende. ‘Is het hier altijd zo warm?’ Zijn lach klonk diep, gul. ‘Er wordt hier vooral geklaagd over de kou’. Insinueerde hij nu dat ik het warm kreeg door hem? Wat natuurlijk ook zo was, maar dat zou ik nooit toegeven. Dat dit ‘nooit’ slechts een paar maanden stand zou houden, wist ik als kersverse cursist nog niet. En hij, als ervaren docent?

Ik wees naar het rode beeld met de rondingen. ‘Mooi’. ‘Dank je. Mijn eindwerkstuk van de kunstacademie, mijn trots’. ‘En terecht’, mompelde ik meer in mezelf, want inmiddels had hij zich omgedraaid naar twee vrouwen die wat onwennig naar binnen kwamen. Ik voelde me weer rustig worden. Totaal niet mijn type. Ik viel op lange, mooie mannen met donkere krullen en zorgvuldig uitgekozen kleding. Bovendien was ik hier voor mezelf, om me te ontwikkelen, om van mijn hobby mijn beroep te maken. Niet om een relatie te zoeken. Ik wilde helemaal niet zoeken. Hooguit gevonden worden.

Peinzend bekijk ik mijn bevlekte schetsen. Dit is niet het moment om het roer helemaal om te gooien. Het heeft me zoveel tijd gekost om mijn creatieve proces te doorlopen, om stapje voor stapje tot dit eindproduct te komen. Vanaf het begin was Ruben cynisch over mijn ideeën. Hij is van de klassieke stroming. Keramiek pur sang. Dat ik meer houd van de toegepaste mogelijkheden, zoals het maken van een lamp, heeft hij nooit serieus genomen. Dat kon me niet schelen, ik was overtuigd van mijn gevoel dat het goed was. Dit was mijn kindje, mijn diepste ik en daar moest iedereen afblijven. Het was voor mij nieuw om zoveel van mezelf te laten zien, ook al was het dan via de schets, het ontwerp, het meesterstuk dat ik voor ogen had. Ik had niet gedacht dat ik me daardoor zo kwetsbaar kon voelen, zo dicht bij mezelf.

En gisteren, na het vrijen, begon hij er opeens weer over. Ik lag op mijn rug en was totaal ontspannen. Blij, open en puur, zo voelde ik me. Ik rolde op mijn zij toen hij het bed uitstapte.

‘Heb je Célines ontwerp gezien?’, vroeg hij, terwijl hij in het schemerduister naar zijn onderbroek zocht. ‘Ja’, zei ik terwijl mijn hoofd nog leeg en wollig voelde. ‘Kijk, zo’n vaas, naar Grieks model, die vormen, dat originele glazuurpatroon, waarom doe jij niet zoiets?’ In een klap verdween de wolligheid en voelde ik van heel diep, vanuit het puntje van mijn tenen, een golf woede omhoog schieten. ‘Wat is er mis met mijn lamp?’ Ik ging overeind zitten, trok mijn knieën op en schoof het laken tot onder mijn kin. Hij plantte zijn in verhouding te korte benen in het hoogpolige tapijt, een eindje uit elkaar, alsof hij op wacht stond. Zijn net gevonden onderbroek hield hij met twee handen voor zijn geslacht. Als ik niet zo boos was, had ik hier hard om kunnen lachen. Met zijn dikke buik en afhangende borstpartij was hij niet bepaald mister Perfect. En dan zou hij mij even gaan vertellen dat ik al maanden mijn ziel en zaligheid voor niets in een project had gestoken? Dat ik net als dat blonde poppetje een Griekse váás had moeten kleien? De andere docenten waren juist zo enthousiast geweest over mijn lef en de vernieuwende technieken die ik had uitgeprobeerd. Wat was dit? Hij wist als geen ander hoe diep hij me hiermee raakte, hoe persoonlijk mijn werk was. Dit ging niet om mijn lamp, dit ging om mij, om mijn diepste kern.

Hij haalde zijn neus op, bukte zich en stapte wankelend in de witte herenslip. Wie droeg er tegenwoordig nog zoiets! Het was alsof er opeens alle kleine speldenprikjes, die ik de laatste maanden had genegeerd, zich hadden verenigd en me nu allemaal tegelijk door mijn hart boorden. Ik haalde diep adem, en nog eens. Woorden hadden geen zin meer. Ik hoorde hem praten maar de betekenis van de klanken zweefden ergens in de verte. In de badkamer kleedde ik me aan, liep zonder iets te zeggen naar de gang voor mijn laarzen, mijn tas en mijn jas. Dat ik mijn duim open had gehaald aan de kapstok merkte ik pas in de auto. Ik stak ‘m in mijn mond en huilde.

Ik reed naar het hotel naast de academie. De hele nacht lag ik te draaien. Kussen opschudden, water drinken, airco hoger, airco lager. Toen er een klein spleetje licht tussen de verduisterende gordijnen door kwam, nam ik een lang en heet bad. Mijn besluit stond vast. Ik ging mijn diploma halen, ik zou stug doorwerken aan mijn meesterstuk. Nog een maand en ik hoefde hier nooit meer te komen. Ik moest het keramieken los zien van mijn leermeester, van wie ik had gedacht dat het mijn geliefde was. Terugkijkend werd me steeds duidelijker dat ik mijn passie voor de kunstvorm had aangezien voor een andere passie, een passie voor een spottende, cynische man, die niet biscuit was gebakken, niet meer broos en kwetsbaar was, maar raku, op een onmenselijk hoge temperatuur, zodat zijn hart was versteend. Waterdicht craquelé. Al die keren dat ik hem het voordeel van de twijfel had gegeven had ik mezelf weggecijferd, mijn gevoel van onbehagen niet serieus genomen. Omdat ik het zo graag wilde, omdat ik het papiertje van de academie verwarde met een brevet van vermogen om lief te hebben. First things first. Ik moest me focussen op mijn lamp, juist nu. Ik moest de komende maand door. Zonder hem, terwijl hij om me heen zou scharrelen door het lokaal. Ik moest dat kunnen.

Ik strijk de schetsen glad, recht mijn rug en leg mijn handen wat rustiger op de klei. Uit mijn ooghoeken zie ik Ruben, die doet alsof er niets gebeurd is. Hij deed altijd al alsof ik niet speciaal voor hem was, want een docent met een leerling, dat mag helemaal niet. Ik zie hoe hij zijn hand losjes op de schouder van Céline legt en zich over haar tekeningen buigt. Ik sluit mijn ogen en concentreer me op de inmiddels lauwe klei. Te warm en te plakkerig om nog iets fatsoenlijks mee te doen. Het is wel genoeg geweest voor vandaag. Achter me hoor ik ook al mensen opruimen. Ik kan er met goed fatsoen vandoor gaan en dan zien we volgende week wel verder.

Bij de kleibak veeg ik mijn plankje schoon. Als ik het op de stapel wil leggen, zie ik Ruben met zijn rug naar me toe staan. Zijn hand ligt op de rugleuning van Célines stoel. Ze kijkt vol ontzag naar hem op, met haar stralend blauwe ogen en wimpers vol mascara. Ik kijk om me heen om te zien of iedereen ziet wat ik nu zie. Maar de weinige mensen die er nog zijn zitten te ver weg en gaan helemaal op in hun klei. Ik weet niet hoe het precies gebeurt. Ik denk niet, ik doe. Ik strek mijn arm in een korte, snelle beweging recht vooruit. Met mijn vlakke hand gaf ik een venijnige duw tegen het grote, gladde, dieprode kunstwerk in het midden van het lokaal. ‘Het geheelde hart’, zoals op het koperen plaatje vermeld staat. Het is lichter dan ik dacht, kennelijk een hol hart. Het gevaarte wankelt heel even voordat het op de punt van een tafel uit elkaar spat.